Deze maand zou Jan Wolkers 100 jaar zijn geworden. De faam van een kunstenaar kun je afmeten aan het aantal straten dat vernoemd is naar de persoon. Wolkers wordt geroemd als schilder en beeldhouwer maar het is zijn schrijverschap dat hem eeuwige glorie geeft in het Hollandse stratenpatroon.
Niet zo zo vreemd. In zijn geboortedorp Oegstgeest heeft hij zijn laan gekregen in Haaswijk. En ook het naburige Leiden en Voorschoten hebben een straat naar hem vernoemd. Leiderdorp heeft de creatieve streekgenoot vereeuwigd met een pad.
In onze provincie heeft Berkel en Rodenrijs de schrijver geëerd met een laan. Soest en Culemborg hebben een Jan Wolkershof. En in het Noord-Hollandse Grootebroek, zou hij mooi gevonden hebben, heeft hij zijn pad.
Utrecht heeft een heuse singel genoemd naar Wolkers. In de hoofdstad van Groningen heeft de schrijver gezelschap in een buurt met onder meer Belcampo en Lucebert. En in het Zeeuwse Kloetinge (gemeente Goes) ligt Wolkers in een wijkje tussen auteurs als Theo Thijssen, Gerard Reve en Boudewijn Büch. Onlangs fietste ik door Diemen waar hij een voorname laan heeft, niet ver van het Herman Broodhof. 
In tenminste 12 plaatsen is hij vernoemd. Er is nog ruimte. Zijn voormalige woonplaatsen Amsterdam en Texel ontbreken in het rijtje. Een ‘plein’ en ‘brug’ zijn ook nog nog niet gekoppeld aan Wolkers. En voor de liefhebber van beestjes en plantjes ontbreekt de verwijzing naar een ‘park’ of ‘plantsoen’. Ook België, waar hij veel fans heeft, heeft geen straat met zijn naam.
Hoe verhoudt Wolkers zich tot de grote drie? W.F. Hermans, Harry Mulisch en Gerard Reve blijven ieder onder de 10 vermeldingen. Dat zou hem deugd gedaan hebben. Al vergeleek hij zich liever met Remco Campert en Hugo Claus. Ook die staan in zijn schaduw als het gaat om straatnamen.
Er zijn schrijvers uit de 20e eeuw die bij hem in de buurt komen, zoals Annie M.G. Schmidt en Ferdinand Bordewijk. En de Vlamingen Louis Paul Boon en Willem Elsschot komen ook een eind. Anne Frank, Godfried Bomans en Simon Vestdijk spannen de kroon met meer dan 20 straatnamen.
Er zijn schrijvers die meer lanen in ons land op hun naam hebben. Maar die zijn al meer dan een eeuw niet meer onder ons, denk aan Multatuli, Nicolaas Beets, Willem Kloos, Louis Couperus en Herman Gorter en nog verder terug in de tijd, Jacob Cats, Vondel en P.C. Hooft.
Het is een regel dat je eerst onder de zoden moet liggen voordat er een straat naar je vernoemd mag worden. Wolkers blies zijn laatste adem 18 jaar geleden uit. In de jaren daarna heeft hij een imposant oeuvre aan lanen, straten en hoven, opgebouwd.
Wolkers nog springlevend
Hij was misschien wel het grootste multitalent van ons land in de tweede helft van de vorige eeuw. Begonnen als beeldhouwer en schilder kreeg hij nationale roem als schrijver. En in het laatste genre bleef het niet bij romans. Hij schreef ook proza, gedichten en stukken voor theater.
Hij werd een televisiepersoonlijkheid en aan het begin van deze eeuw presenteerde hij een programma over de planten en dieren in zijn achtertuin. We hebben het natuurlijk over Jan Wolkers. De man die Oegstgeest op de kaart heeft gezet.
Precies een eeuw geleden kwam hij ter aarde in ons dorp. Op de Deutzstraat nummer 7, stond zijn wieg. Tegenover zijn geboortehuis is in 2017 een gedicht van zijn hand onthuld. Het is één van levende bewijzen van de aanwezigheid van de kunstenaar in ons dorp. Zoals de glaskunst ‘vrouwen in verzet’ voor ons gemeentehuis.
En het landgoed Oud-Poelgeest was een enorme inspiratiebron voor Wolkers. Zijn eerste serieuze strepen op papier als tekenaar, waren die van de zomereik langs de ijsbaan. De joekel van een boom staat er nog steeds. En zijn debuut als schrijver maakte hij met het verhaal over Het Tillenbeest, over de diefstal van een marmeren sfinx uit een door de Duitsers verlaten kasteel tijdens de oorlog. 
En ook de Tulpenboom, ooit geplant in de tuin door Professor Boerhaave in de 18e eeuw, figureert in meerdere verhalen. Het gele blad van een nazaat van deze boom inspireerde Wolkers ook tot zijn laatste grote schilderij, ‘het grote gele doek’. Rode draad in zijn werk is dat hij de schoonheid van het alledaagse wist te vangen.
Gisterenavond werd in het bijzijn van zijn vrouw Karina Wolkers en zijn biograaf en vriend Onno Blom, stilgestaan bij de 100e geboortedag. Marjolijn van der Jagt, onze dorpsmarketeer en inmiddels groot liefhebber van de nalatenschap van Wolkers, had in het geliefde kasteel van de kunstenaar, een avond georganiseerd met toespraken en happen.
Er werd gezongen, ter viering van de 100e geboortedag, uitgaves voor deze gelegenheid zagen het licht en Onno Blom kon zijn talent voor verhalen over de bekende Oegstgeestenaar, naar hartelust delen. Het laat zien hoe schrijver en kunstenaar Jan Wolkers na een eeuw nog springlevend is.
Verlangen naar een eiland
Ik heb iets met eilanden. Bij voorkeur reis ik er naar toe per boot. Tas pakken. Op tijd vertrekken naar de haven. Dan in de rij staan. Dat gedoe heb ik er graag voor over. En op de boot begint het eilandgevoel. Het trekt me omdat het lijkt of de natuur en cultuur op een stuk land in de zee, net wat beter bewaard is gebleven.
Op een van die hogere stukken op de plaat staat een vogelkijkhut en een stenen huis. Ik weet precies hoeveel kamers het heeft, hoe het meubilair er uit ziet, waar de keuken ligt. Ik heb het allemaal al een keer gelezen. Net zoals dat ik tot me nam dat ook deze puist in de oorlog bezet was. En dat er meer dan honderd Duitsers waren ingekwartierd.
Na afloop van de bezetting is het nog een tijdje permanent bewoond geweest door de eilandvoogd. Maar daarna werd de natuur de baas en mocht het enkel voor onderzoek worden bezocht. Wolkers en Bomans waren in 1971 de uitzondering op de regel dat het niet voor ‘gewoon’ publiek toegankelijk is.

Één eiland staat boven aan mijn lijstje. Ik heb het al vaak op de kaart begerig aanschouwd. Ik heb met het blote oog gezien vanaf de Balg op de oostpunt van Schiermonnikoog en het Groninger Wad bij Usquert. Maar ik heb het nooit betreden; het inmiddels onbewoonde Rottumerplaat. Dat is het laatste stukje Nederland voordat de Duitse Waddeneilanden beginnen met Borkum. Eigenlijk zijn het twee zandplaten met wat duintjes er op; Rottumerplaat en Rottumeroog.
Het is nu verboden gebied. En wat ontoegankelijk is dat wint aan aantrekkingskracht. Zoals een onbereikbare liefde. Het is mijn verlangen naar ongereptheid. Het is ook een beetje een vlucht uit de werkelijkheid. Rottumerplaat vertolkt dat voor mij perfect.
Kloosters en pakhuizen zijn er gebouwd. Er reed zelfs een treintje. Later kwam er het huis voor de eilandvoogd met zijn karakteristieke tegelpaadje en een tuin met de dikste preien van Groningen. En toen die vertrok werden een houten vogelwachtershuis en gemetselde barakken gebouwd, voor de opzichters en vogeltellers. Ze zijn allemaal verdwenen. De zee neemt, de zee geeft, en zo schuift het waddeneiland langzaam naar het oosten op.
Nu de mens zijn handen van Rottumerplaat heeft afgetrokken en de natuur vrij spel heeft, wandelt het zijn ondergang tegemoet in een zeegeul. In 2014 zijn de laatste menselijke resten weggehaald vlak voordat een vloed het zou meenemen. Er is dus niks van de cultuur waar ik nog oprecht naar kan verlangen.
Nu staat er alleen nog maar een plastic iglo die zelfs niet met een verrekijker is te zien. Toch wil ik het stukje land op zee, met eigen ogen zien.
Me melden als vogelaar bij Staatsbosbeheer, die hebben het eiland nu in bezit, zou een tikkeltje verwaand zijn. Aan mij is geen ornitholoog verloren gegaan. Ik heb het nog geprobeerd als kind bij de Jeugdvogelwacht op Schouwen-Duiveland. We leerden gevleugelde vrienden herkennen aan hun lokroep en uitwerpselen. Maar toen de verleiding kwam om te gaan judoën ben ik mijn kijker uit het oog verloren. En ook toen het judo al snel ophield bleven de vogels uit beeld.
Blijft het dan bij een droom? Er is nog een muizengaatje. Al sinds 1991 zet de Stichting Vrienden van Rottumeroog en Rottumerplaat zich in voor het behoud van beide eilanden. En naast lezingen en de uitgifte van een blad, organiseren de vrienden opruimdagen. En laten die dagen nou juist op mijn droomeiland zijn.
Ik heb al een beetje ervaring op kunnen doen met zwerfafval prikken in Oegstgeest. Dat moet toch ook wel lukken op zo’n zandplaat? Ik heb me daarom een paar jaar geleden opgegeven als ‘Vriend van Rottum’. Wie weet komt het er nog eens van. We kunnen vrees ik niet met zijn allen op de boot naar het onbewoonde natuureiland. Maar wie ook van dromen over eilanden houdt wil ik het webadres natuurlijk niet onthouden:
NB Het is ruim een halve eeuw geleden dat Jan Wolkers en Godfried Bomans de schier onbereikbare plaat bezochten. Vooral Wolkers was lyrisch. Staatsbosbeheer wil af van het avontuurlijke imago van bounty-eiland en geeft boswachters de ruimte om er in onopgesmukte termen, blogs over te schrijven. Zoals hier: https://www.boswachtersblog.nl/rottum/2021/07/27/50-jaar-later-omslag-in-denken/
En hier
Tiengemeten (2)
Veel wind en slagregens is een recept voor fantastische wolkenpartijen. Af en toe kwam de zon erbij. Bevers, vossen, reeën en zeearenden lieten het allemaal koud. We zijn op het eiland Tiengemeten. De grote pont is uit de vaart, vanwege de wind. Dat betekent beperkt bezoek. De musea zijn dicht. Wij vonden het prima, een eiland voor onszelf.
Al het volk dat er moet wezen treffen we aan de toog van onze herberg de Susanna Hoeve. Daar wordt ook gegeten. Veel meer is er deze dagen niet. We slapen naast het voormalige quarantainegebouw dat nu is overgeleverd aan de elementen. Enkele decennia geleden lag hier ook een dodenakker en stonden er meerdere boerderijen. 
Dat is allemaal opgegeven voor het concept ‘natuur’. Nieuwe flora en fauna deed vanaf het begin van deze eeuw zijn intrede. We hebben echt goed gekeken. Wat we zagen bij onze wandelingen waren koeien, paarden en schapen. In het wild; fazanten, hazen en zilverreigers. En we spotten vier andere wandelaars. Die liepen en vlogen hier zo’n dertig jaar geleden vast ook al rond. 
Op de terugweg vanmiddag hadden we de kleine pont. Met maar een paar plekken in het vooronder bleven Vera en ik, op het dek. Al snel snapten we waarom daar niemand zat. We werden getroffen door de hoge golven. Doorweekt kwamen we in het haventje van Nieuwendijk aan. 
Waarom zou je naar Tiengemeten gaan? Het kan hier bij mooi weer best druk zijn, als we de honderden fietsen zien die je hier kan huren. Maar ga je buiten de vakanties en tref je het met het slechte weer, dan bof je. Dan zie je een fraai stukje Nederland omgeven door het water van het Haringvliet. En de zwarte ooievaar, daar moeten we nog een keer voor terugkomen.
Tiengemeten (1)
Het eiland kreeg pas stroom in 1952. Die werd weggespoeld bij de ramp van 1953. En stromend water kwam er in 1962. Daarvoor zorgden de regenputten voor vers water. Om er in een auto te rijden had je geen rijbewijs nodig. Voor de boodschappen moest je met de boot over. 
Het is 7 kilometer lang en nog geen 1,5 kilometer breed. Tiengemeten is het laatste echte eiland van Zuid-West Nederland. Vanaf 2007 zijn de bijna 1000 hectare teruggeven aan de natuur. Voor de meeste inwoners was het daarmee einde verhaal.
De boeren en het personeel gingen elders hun kost verdienen. Er kwam een uitsterfbeleid voor de bewoners van de weekendhuizen. Alleen de rattenvanger bleef. Gehoopt werd op de komst van lepelaars en de terugkeer van de zwarte ooievaar.
Onder de rook van Rotterdam ligt Tiengemeten. Het is in beheer bij Natuurmonumenten. De pont vaart nog steeds. Sinds 2012 is er een herberg. Overnachten kan ook op de camping. Het eiland kent twee musea gewijd aan de voormalige landbouw en Rien Poortvliet. En heeft nog geen 10 vaste bewoners meer.
Als liefhebber van eilanden kreeg ik dit jaar als kado voor mijn verjaardag een weekend op het kleinste bewoonde eiland van ons land. Het is een hele poos geleden toen ik werd aangetrokken door Tiengemeten. Rond 1990 las ik als student een artikel in Vrij Nederland. Daarin schitterde de rattenvanger Hugo Schortinghuis.
Iedere keer als ik de Haringvlietbrug over rijdt richting mijn ouders in Zeeland, en rechts het eiland zie liggen, denk ik aan de kleine man die er zijn beroep van had gemaakt om muskusratten te vangen.
Het Haringvliet was de toegangspoort vanaf de Noordzee naar Rotterdam. Tot de tweede wereldoorlog lagen schepen voor het eiland voor anker om te kijken of er besmettelijke ziektes aan boord waren. Het werd gebruikt om mensen die ziek waren in quarantaine te houden.
Zo’n 100 jaar geleden woonden er nog 180 mensen en had het een lagere school. Slibdepot, luchthaven en een kerncentrale. Dat zijn plannen die de afgelopen eeuw passeerden voordat gekozen werd om de natuur zijn gang te laten gaan.
De laatste boer verdween in 2006. Veel boerderijen en stallen werden afgebroken. Dijken zijn doorgebroken, om het water ruimte te geven. Hugo de rattenvanger blies zijn laatste adem uit in 2019. Je hoeft geen uren in de auto te zitten om iets heel bijzonders te ervaren. Binnenkort pak ik het pontje vanaf de Hoeksche Waard en ga ik met Vera op zoek naar de zwarte ooievaar.
Genieten van Groningen
Nergens in Europa zijn zoveel kerken te vinden uit de 11e, 12e en 13e eeuw als langs de Waddenkust. Ook de Eemsdelta grossiert in laatmiddeleeuwse bouwwerken. Verheven op wierden zijn ze niet te missen op het Groningse platteland. Vera en ik zijn een lang weekend te gast in het hoge noorden van ons land.
Enorm grote boerderijen met machtige schuren. Wegen kronkelen in wijd land. Ze volgen de waterlopen die vroeger door het land liepen. Toen er nog geen hoge Waddendijken waren en de zee regelmatig het land in stroomde. De sporen in het landschap zijn hier nog goed zichtbaar.
Wat hier ook wordt gekoesterd zijn de karakteristieke bakstenen huizen met bijzonder metselwerk en sierlijke elementen in de gevels. Je vind er nog veel kenmerkende voorbeelden van de Amsterdamse School uit het begin van de 20e eeuw.
Vanuit Loppersum bewonderden we de naburige kerkjes van Zeerijp, Eenum, Leermens en Godlinze. We genoten van Appingedam met zijn hangende keukens. We bezochten het wonderschone Westeremden en het museum Westmantel. We gingen op bezoek bij een tentoonstelling van een nicht van Vera, Trudy Dehue, in kerkje van Oldenzijl. 
We aanschouwden een wijk met architectuur in de Amsterdamse School in Delfzijl en tuurden daar over het Wad met Emden in het vizier. In Termunterzijl aten we een visje en bezochten we het monumentale gemaal en de Dollard verraste ons met rustende zeehonden op slechts enkele tientallen meters (achter een kijkwand).
Tot slot gaven we in het meest noordoostelijke puntje van ons land, in Nieuw Statenzijl, Duitsland een hand. Hier stopt Nederland en ons heerlijke lange weekend in het Noorden. Gaat dat zien het vrijwel ongerepte Hogeland en het weidse landschap van de Eemsdelta!
Praten met ballen
‘Je moet praten met de ballen’. Het college ging op bezoek bij het mekka voor biljarters in de regio: Stichting Biljartcentrum Oegstgeest. We werden warm ontvangen door het bestuur. En kregen uitleg over wat er in het gebouw, naast sporthal de Cuyl, zoal gebeurt.
We komen binnen in een grote ruimte waar 12 tafels met groene lakens staan. Dagelijks behalve op zondag, is er bedrijvigheid vanaf 9 uur in de morgen, tot in de late avond. Honderden vooral senioren (waaronder ook dames) komen hier wekelijks voor een klein bedragje hun liefhebberij uitoefenen. 
Na de introductie kregen we een lesje in het hanteren van de keu. We krijgen de beginselen van het spel mee. Zien hoe de ballen moeten rollen. We leren dat het bij biljart niet draait gaat om kracht, maar om precisie en controle. En we ontdekken dat je mag praten met de ballen.
Paal voor klepperaars
Iedereen in Oegstgeest kent de ooievaarspaal op het Landje van Bremmer. Elk voorjaar krijgen we vanaf de Leidsestraatweg een blik op het nieuwe leven van de klepperaars. Aan de rand van onze gemeente staat een tweede paal, in de Elsgeesterpolder. Die is wat minder bekend.
Vanaf de Vinkenweg kun je hem al zien staan. Maar een beter beeld, zeker in de avond met de zon in de rug, krijg je vanaf de 1e Elsgeesterweg (bij Camping Koningshof rechtsaf). Een paar honderd meter voor de molen staat de broedpaal. Die staat er al aantal jaar. Niet elk jaar zag ik er een paar.
Recent skeelerde ik een rondje via Noordwijk, Voorhout en Rijnsburg. Onderweg kwam ik er langs. En zag ik leven op de paal. Ooievaars zijn in principe nestvast. Dus die zien we daar nog wel terug. En mij ook wel.